DIEREN en milieu

animal domestique (huisdier)
 
                           



un chien (hond)
un chat (kat)
un lapin (konijn) 
un hamster
un poisson (vis)
un oiseau (vogel)
une perruche (parkiet)
un perroquet (papegaai)
une souris (muis)
une tortue (schildpad)
un chiot (puppy)
un chaton (kitten)
des poissons rouges (goudvissen)
des oiseaux (vogels)
un cochon d´inde / un porc guinée / un cobaye (cavia)
un canari
un pigeon (duif)
un rat
un caniche (poedel)


Quel est cet animal?
les animaux et leurs petits1
les animaux et leurs petits2
j'apprends les animaux
peur du chien
quand je promène mon chien

Animal à la ferme (op de boerderij)



un cheval (paard)
une vache (koe)
un cochon, un porc (varken)
une poule (kip)
un coq (haan)
une chèvre (geit)
un mouton (schaap)
une brebis (schaap) 
un canard (eend)
une oie (gans)
un âne (ezel)
un veau (kalf)
un taureau (stier)
un bœuf (os)
 un poussin (kuiken)
un agneau (lammetje)
un dindon (kalkoen)


film
apprendre les animaux et leurs cris
les animaux de la ferme 
les animaux de la ferme2

 Animal sauvage (wild dier)




un lion (leeuw)
un tigre (tijger)
un singe (aap)
un crocodile (krokodil)
un chameau (kameel)
un éléphant (olifant)
une girafe (giraf)
un zèbre (zebra)
un renard (vos)
un loup (wolf)
un ours (beer)
un serpent (slang)
un rhinocéros (neushoorn)
un hippopotame (nijlpaard)
un phoque (zeehond)
une araignée (spin)
une grenouille (kikker)
un escargot (slak)
un ours blanc/ un ours polaire (ijsbeer)
un lièvre (haas) - une otarie (zeeleeuw)
un phoque (zeehond)
un ver (worm)
un écureuil (eekhoorn)
un papillon (vlinder)
un hibou (uil)

 
les animaux sauvages d'Afrique
les animaux de la savane 
les animaux de la jungle
j'apprends les animaux
animaux aquatiques
100 animaux

beschrijving




il / elle a l´air gentil = hij ziet er lief uit
il  / elle a l´air méchant = hij ziet er vals uit
il / elle a l´air sauvage = hij ziet er wild uit


il est
elle est
betekenis

grand
petit
fort
faible
lourd
léger

blanc
noir
gris
brun
rayé / tigré
taché

rapide
lent
dangereux
vénéneux
domestique
sauvage

gentil
doux
drôle
mignon
méchant
malin
rusé
dégueulasse

grandep
etite
forte
faible
lourde
légère

blanche
noire
grise
brune
rayée / tigrée
tachée

rapide
lente
dangereuse
vénéneuse
domestique
sauvage

gentille
douce
drôle
mignonne
méchante
maline
rusée
dégueulasse


groot
klein
sterk
zwak
zwaar
licht (gewicht)

wit
zwart
grijs
bruin
gestreept
gevlekt

snel
langzaam
gevaarlijk
giftig
tam
wild

lief
lief; zacht
grappig
schattig
vals
slim
sluw
smerig









hij heeft…

des cornes (v)
des griffes (v)
des sabots (m)
une queue
des ailes (v)
des points (m)
des taches (v)
des rayures (v)
une trompe
quatre pattes
des grandes dents
des défenses (v)
des moustaches (v)
des poils (m)
des plumes (v)
un bec
une gueule
des oreilles pointues
des oreilles pendantes
une bosse
des petites pattes
hoorns
klauwen
hoeven
een staart
vleugels
stippen
vlekken
strepen
een slurf
vier poten
tanden
slagtanden
snorharen
haren, een vacht
veren
een snavel
een bek, muil
spitse oren
hangoren
een bult
kleine pootjes







Je n´ai pas d´animal domestique. = Ik heb geen huisdier.
J´ai eu un animal. = Ik heb een dier gehad.
Il est mort. = Hij is dood.
Il / elle s’appelle... = hij/ zij heet...
Ils/elles s’appellent = zij heten
Il n’a pas de nom = hij heeft geen naam
Il/elle a ...ans = hij/zij is ...jaar
Ils/elles ont...ans = zij zijn...jaar
Il mord = Hij bijt.
Il nage = Hij zwemt.
Il vole = Hij vliegt.
Elle mange de l´herbe. = Zij eet gras.
Elle donne du lait. = Zij geeft melk.
Il grimpe les arbres = Hij klimt in bomen.
Il vit en Afrique. =  Hij leeft in Afrika.
Il aime jouer. = Hij is speels.
emmener dans une pension  = naar een pension brengen




          

oefeningen 

http://lexiquefle.free.fr/animaux.swf



het milieu


(le milieu = de onderwereld, de wereld van de misdaad)
l'environnement (m) = het milieu
les problèmes écologiques = de problemen betreffende het milieu
polluant = vervuilend
polluer = vervuilen
la plus grosse pollution = de meeste vervuiling
est causé(e) = wordt veroorzaakt
les réserves = de (grondstoffen)voorraden
la planète = de planeet
le réchauffement = de opwarming (van de aarde)
gaspiller = verspillen
économiser = besparen
le carburant = de brandstof
consommer = verbruiken
le pétrole = de aardolie; de benzine
les émissions (v)= de uitstoot
de CO2 (gaz carbonique polluant) = van CO2 (vervuilende koolstofdioxide)
c'est insuffisant = het is niet voldoende



je suis concerné par... = ik maak me druk om...
je m'intéresse à = ik interesseer me voor
engagé = betrokken bij maatschappelijke problemen
la mode veille = de stand-by stand
changer ses (mauvaises) habitudes = je (slechte) gewoonten veranderen
agir = actie ondernemen
l'utilité (v) = het nut 
donner l'exemple = het goede voorbeeld geven
lutter contre = bestrijden
faire des économies d'énergie = energie besparen
protéger = beschermen
préserver = behouden (beschermen)
diminuer = verminderen
utiliser = gebruiken
se servir de (je me sers de) = ik maak gebruik van, ik gebruik
les transports en commun = het openbaar vervoer
le covoiturage = het carpoolen
encourager à + infinitif = aanmoedigen om te...
une pile rechargeable = een oplaadbare batterij
recycler = recycleren
recyclable = wat gerecycleerd kan worden
jeter = weggooien
ramasser = oprapen
les déchets (m) = het vuilnis
trier = scheiden 
faire le tri sélectif = afval scheiden
la poubelle = de vuilnisbak
éteindre (j'éteins) = uitdoen, uitzetten
allumer = aandoen, aanzetten
la lumière = het licht 
être bénévole = vrijwilliger zijn
dans un refuge = in een dierenasiel 
défendre qch à qn = iemand iets verbieden (défendre aux gens de manger de la viande)
interdire qch = iets verbieden
je suis pour = ik ben ervoor