IK STEL ME VOOR, familie

 
 
je me présente = ik stel me voor
bonjour = goedendag (morgen / middag)
bonsoir = goedenavond
Bonne nuit  =goede nacht, welterusten
Salut = Hoi / dag (als je komt of weggaat)
Au revoir = tot ziens
Monsieur = mijnheer
Madame = mevrouw
Mademoiselle = Juffrouw
(Comment) ça va ? =  (Hoe) gaat het ?
Ça va (bien)= Het gaat (goed)
Pas mal. = Niet slecht. / Gaat wel.
Et toi ? =En jij ? / En met jou ?
Et vous ?=En u ? / En met u ?
Je m´appelle... = Ik heet...
Comment tu t´appelles ?= Hoe heet je ?
Le prénom= de voornaam
Le nom= de achternaam
Je suis un garçon = Ik ben een jongen.
Je suis une (jeune) fille = Ik ben een meisje.
Je suis un homme. =Ik ben een man.
Je suis une femme.=  Ik ben een vrouw.
J´ai...ans = ik ben...jaar
Je suis né(é) le 1er janvier 1990 = Ik ben geboren op….
Mon anniversaire c’est le…= Ik ben jarig op…
Tu as quel âge ? =  Hoe oud ben je ?
C’est quand, ton anniversaire ? = Wanneer ben jij jarig ?
J´habite à Amsterdam= Ik woon in Amsterdam
aux Pays-Bas =  in Nederland
en Hollande = in Holland
J’habite 8, Bunuelstraat.= Ik woon in de Bunuelstraat 8.
Tu habites où ? = waar woon je ?
Je suis Hollandais(e). =  Ik ben Hollander / Hollandse.
Je parle néerlandais (na parler geen le).
Tu as quelle nationalité ? =  Welke nationaliteit heb je ?
Mon numéro de téléphone c’est le..  = Mijn telefoonnummer is....
Quel est ton numéro de téléphone ? = Wat is je telefoonnummer ? 


Ma famille





Le père   
La mère                                                                 
Le frère
La sœur 
Le grand-père
La grand-mère 
L’oncle
La tante
Le cousin = neef
La cousine = de nicht
Les parents
Les grand-parents 


oefening


C´est = dit / dat is
Voilà= dat is / dat zijn
Voici  =dit is / dit zijn
Ce sont  = dit / dat zijn
J´ai un frère / une sœur.  =Ik heb een broer / een zus
Il / elle s’appelle... = hij/ zij heet...
Ils/elles s’appellent=zij heten
Il/elle a ...ans = hij/zij is ...jaar
Ils/elles ont...ans = zij zijn...jaar
Je n´ai pas de frères ou de soeurs =ik heb geen broers of zussen
Nous sommes quatre à la maison. = Wij zijn met z´n vieren thuis.
Je suis fils unique.=ik ben enig kind (m)
Je suis fille unique.= ik ben enig kind (v)
Des jumeaux (m) / des jumelles (v) = een tweeling
Ma sœur jumelle= mijn tweelingzus
Mon frère jumeau = mijn tweelingbroer
Mon arrière-grand-père =mijn achter-grootvader
Une(e) adulte= een volwassene
Un enfant =een kind
L´aîné(e) = de oudste
Le cadet, la cadette = de jongste
une compagne = een partner





Un petit ami, une petite amie =een vriendje, een vriendinnetje
commencer une relation amoureuse = een relatie beginnen 
faire une déclaration d’amour = je liefde verklaren

offrir un solitaire =  een verlovingsring geven / verloven
se marier à l’église / à la mairie = trouwen in de kerk / in het gemeentehuis
il est marié / elle est mariée.=
Hij / zij is getrouwd
Il est célibataire.= Hij is vrijgezel
La naissance= de geboorte

tromper quelqu’un = iemand bedriegen

se disputer = ruzie maken
se séparer  = uit elkaar gaan
divorcer = scheiden
Mes parents sont divorcés. = Mijn ouders zijn gescheiden
Vous êtes de quelle religion ? = Welke godsdienst hebben jullie ?





verlan



ma frangine = mijn zus 
mon beauf (beau-frère) = mijn zwager