de afgelopen vakantie
Beschrijf je vakantie.
* Gebruik voor de dingen die je gedaan hebt de passé composé.
* Gebruik voor beschrijvingen de imparfait (als je die al gehad hebt).
DENK OM:
(TIJD / PLAATS) ONDERWERP + ALLE WERKWOORDEN + REST (TIJD / PLAATS)
Tijdsbepalingen van één woord (toujours, souvent, déjà) komen na het eerste werkwoord).
DENK OM:
(TIJD / PLAATS) ONDERWERP + ALLE WERKWOORDEN + REST (TIJD / PLAATS)
Tijdsbepalingen van één woord (toujours, souvent, déjà) komen na het eerste werkwoord).
wanneer?
quand = wanneer
pendant = tijdens, gedurende
pendant les vacances = op vakantie/ tijdens de vakantie
les vacances passées = de afgelopen vakantie
les vacances de Pâques = de Paasvakantie
les grandes vacances / les vacances d'été = de zomervakantie
les vacances de Noël = de Kerstvakantie
les vacances d'automne = de herfstvakantie
les vacances passées = de afgelopen vakantie
les vacances de Pâques = de Paasvakantie
les grandes vacances / les vacances d'été = de zomervakantie
les vacances de Noël = de Kerstvakantie
les vacances d'automne = de herfstvakantie
partir en vacances = op vakantie gaan (NIET : aller en vacances)
d’abord = eerst
le 1er (premier) juillet = (op) 1 juli
d’abord = eerst
puis / ensuite = daarna
enfin = uiteindelijk, aan het eind
le premier jour = de eerste dag
le second jour = de tweede dag
le dernier jour = de laatste dag
pendant trois semaines = drie weken (lang)
(pendant) la première semaine = de eerste week
pendant trois semaines = drie weken (lang)
(pendant) la première semaine = de eerste week
au début du séjour = aan het begin van de vakantie
au milieu = in het midden
à la fin = aan het eind le 1er (premier) juillet = (op) 1 juli
le 17 janvier. = (op) 17 januari
on part pour 15 jours = we gaan 2 weken weg
on part pour 8 jours = we gaan een week weg
de...à... = van...tot ...
de...à... = van...tot ...
du 5 au 10 juillet = Van 5 tot 10 juli
waar?
naar / in
en France (landen op een -e)
au Luxembourg (de andere landen)
aux Pays-Bas (landen in het meervoud)
à Paris (steden)
Où as-tu passé tes vacances?
J'ai passé mes vacances = Ik heb mijn vakantie doorgebracht
j'ai été = ik ben geweest
rester = blijven
à la maison = thuis
dans un petit village = naar / in een dorpje

Tu as fait du camping? = Heb je gekampeerd?
groeten uit...
J'ai envoyé une carte postale....= ik heb een kaart gestuurd
van / uit
de France (dus niet de la bij landen op een -e)
du Portugal
des Etats-Unis (meervoud)
de Paris (steden)
wat gedaan?
Où as-tu passé tes vacances?
J'ai passé mes vacances = Ik heb mijn vakantie doorgebracht
j'ai été = ik ben geweest
rester = blijven
à la maison = thuis
dans un petit village = naar / in een dorpje
à la plage = naar / op het strand
dans un hôtel = naar / in hotel
près d´un lac = bij een meer
au bord de la mer = aan zee
à la campagne = op het platteland
à la montagne = in / naar de bergen
aux environs de = in de omgeving van (les environs = de omgeving)
le rocher = de rots
le ciel = de hemel / de lucht
un arbre = een boom
la mer = de zee
la montagne = de berg / de bergen
la ville = de stad
en ville = in de stad
un bâtiment = een gebouw
beaucoup de gens = veel mensen
les gens (m) = de mensen
waar gelogeerd?
les gens (m) = de mensen
waar gelogeerd?

Tu as fait du camping? = Heb je gekampeerd?
faire du camping = kamperen
loger dans un hôtel = in een hotel logeren
loger chez des amis = bij vrienden logerengroeten uit...
J'ai envoyé une carte postale....= ik heb een kaart gestuurd
van / uit
de France (dus niet de la bij landen op een -e)
du Portugal
des Etats-Unis (meervoud)
de Paris (steden)
wat gedaan?
Qu'est-ce que tu as fait? = Wat heb je gedaan?
(gebruik de passé composé)
(gebruik de passé composé)
faire du ski / du foot / du vélo = skiën / voetballen / fietsen
faire de la planche à voile = surfen
faire des promenades = wandelen
faire de la randonnée = wandelen (lange afstanden)
visiter des monuments = monumenten bezoeken
visiter un musée = een museum bezoeken
aller voir ma famille = mijn familie bezoeken
nager = zwemmen
bronzer = zonnen
regarder la télé = tv kijken
lire (j´ai lu) = lezen
faire de la plongée = duiken
faire du snorkeling
faire du kite-surf
faire de la voile = zeilen
faire une promenade en bateau = varen, een boottocht maken
manger des escargots = slakken eten
aller à la plage = naar het strand gaan
aller au cinéma = naar de bioscoop gaan
aller au cinéma = naar de bioscoop gaan
paresser = niets doen
j'ai été en colo = ik was op een vakantiekamp
j'ai été en colo = ik was op een vakantiekamp
vervoer
Tu es allé en voiture? = Ben je met de auto gegaan?
prendre = nemen (gebruik de passé composé)
Le bus = de bus
L´avion (m) = het vliegtuig
Le train = de trein
La voiture = de auto
Le vélo = de fiets
aller = gaan (gebruik de passé composé)
en bus = met de bus
en avion = met het vliegtuig
en train = met de trein
en voiture = met de auto
en vélo = met de fiets
...dus altijd en, behalve bij: à pied = te voet
...dus altijd en, behalve bij: à pied = te voet
La bicyclette= fiets /Le métro = metro /La moto = motor /Le bateau = boot
Le taxi = taxi / Le vélomoteur = brommer /Le camion = vrachtwagen
le pied = voet /la mobylette/mob =brommer /Le VTT = mountainbike
Le cyclomoteur = brommer /Le car = bus /Les rollers = skates
La jeep = jeep /L’hélicoptère = helicopter /La navette spatiale = space shuttle
La montgolfière =luchtballon /L’ambulance = ambulance /Le canot à moteur = motorboot /Le voilier = zeilboot /La barque = roeiboot /Le zodiac = opblaasboot /Le ferry-boat = pont /Le bâteau de pêche = vissersboot /Le navire = passagiersschip /Le sous-marin = onderzeeër
Quel temps a-t-il fait? = Wat voor weer was het?
Il faisait / il a fait = het was…(weer)
beau = mooi
mauvais = slecht, vies
chaud = warm
froid = koud
du soleil = zonnig
Hoe was het?
C'était comment, tes vacances? = Hoe was je vakantie?
C'est comment, Paris? = Hoe is Parijs?
c'est = het is
c'était = het was
chouette / super / génial / fantastique / super sympa = leuk,
embêtant = vervelend,
bête = stom,
ennuyeux = saai, nul = niets aan, charmant,
pittoresque = schilderachtig
vraiment typique!
mignon comme tout! = heel schattig,
sale = vies
bruyant = lawaaiig,
cher = duur
c'est d'un ennui! = het is dodelijk vervelend
Je n’ai pas du tout aimé… = ik vond…helemaal niet leuk
il y a beaucoup à voir = er is veel te zien
c'est le paradis = het is paradijselijk
il y a trop de pollution = er is te veel vervuiling
on est les uns sur les autres = je zit boven op elkaar
ils sont agressifs = ze zijn agressief
très accueillants / hospitaliers = heel gastvrij
toujours prêts à t'aider = altijd klaar om je te helpen
een reis organiseren
Tu as envie de = Heb je zin om…
j’aimerais + inf = ik zou graag willen
je voudrais + inf = ik zou graag
willen
ça serait bien de + inf = het zou goed
zijn om te
j’aurais envie de + inf = ik zou
wel zin hebben om
Je pourrais + inf = ik zou kunnen
On part = we vertrekken
On rentre = we komen terug
il faut +
zelfst.n.w. =
het is nodig / men moet
il me faut = ik heb nodig
il nous (me, te, lui, nous, vous, leur)faut =
we hebben nodig
il nous faut une valise = we
hebben een koffer nodig
il ne faut pas oublier
= we moeten niet vergeten
je dois, tu dois, il / elle doit = ik /
jij / hij / zij moet
téléphoner à
= bellen met
emporter / prendre
= meenemen
oublier de
= vergeten om te
réserver les
billets de train = treinkaartjes reserveren
tu dois prendre
= jij moet meenemen
parce que =
want
tu dois (prendre)
+ inf = je moet
(meenemen)
tu devrais (choisir) + inf =
je zou moeten (kiezen)
il vaut mieux + inf = het is beter om te
je te conseille de + inf = ik raad je
aan om te
je crois que… = ik geloof
dat
A mon
avis… = volgens mij
On y va!
=
we gaan erheen!
J’en ai envie. = Ik heb er zin in
Tu as envie de
venir avec nous? =
Heb je zin om met ons mee te gaan?
Une tente? Je
n’en ai pas. =
Een tent? Ik heb er geen / dat heb ik niet.
Une
valise (koffer), un sac à dos (rugzak), une tente (tent), un sac de
couchage (slaapzak), une gourde (veldfles), un plan (kaart,
plattegrond), une carte (kaart, plattegrond), un carnet d´adresses
(adresboekje), un appareil photo (fototoestel), un caméscope
(videocamera), une paire de jumelles (verrekijker), une boussole
(kompas), des lunettes de soleil (zonnebril), des chaussures de marche
(wandelschoenen), des palmes (zwemvliezen), un masque (duikbril), un
maillot de bain (badpak), un tube de crème solaire (tube zonnebrandcrème)
verlan
Les vrais toutous! = Echte touristen!
exercices
verlan
Les vrais toutous! = Echte touristen!
exercices
EXERCICE 1: vertaal
Let op: (tijdsbepaling) - onderwerp - alle werkwoorden - rest - (tijdsbepaling)
1. Ik ben in juni op vakantie in Italie geweest.
2. Ik ben in Sienna geweest. Dat is een stadje.
3. Het ligt in de heuvels. Het is oud. Er zijn veel monumenten en musea. De huizen zijn geel. Er zijn veel bloemen.
4. We zijn met de auto gegaan.
5. We waren met zijn vieren: mijn vader, mijn moeder, mijn broer Yves en ik.
6. Wij hebben eerst een week een huis gehuurd vlak bij Sienna.
7. Daarna hebben we nog twee dagen in een hotel gelogeerd in Rome.
8. Tenslotte hebben we nog drie dagen bij mijn oma in Milaan gelogeerd.
9. Ik heb gezwommen, gezond, veel musea bezocht en tien boeken gelezen.
10. Ik heb veel pasta gegeten. Ik ben dol op Italiaans eten, vooral op pizza.
11. Het was prachtig weer. De zon scheen. Het was warm. Het heeft niet geregend.
12. Italië is het paradijs. Er is veel te zien. De mensen zijn vriendelijk.
Exercice 2: Vertaal. Gebruik de futur.
1. Volgend jaar gaan we naar Amerika.
2. We gaan met het vliegtuig.
3. We gaan New York bezoeken en we logeren bij mijn tante.
ANTWOORDEN
EXERCICE 1
1. (en juin) J'ai passé mes vacances en Italie (en juin).
1. (en juin) (pendant les vacances) j'ai été en Italie (en juin).
2. J'ai été à Sienna. C'est une petite ville.
3. C'est dans les collines. C'est une vieille ville. Il y a beaucoup de monuments et de musées. Les maisons sont jaunes. Il y a beaucoup de fleurs.
4. Nous avons pris la voiture.
4. Nous (y) sommes allés en voiture.
5. Nous étions quatre: mon père, ma mère, mon frère Yves et moi.
5. Je suis allé avec mon père, ma mère et mon frère Yves.
6. D'abord, nous avons loué une maison à Sienna.
7. Puis nous avons logé (deux jours) dans un hôtel à Rome (deux jours).
8. Finalement nous avons logé (trois jours) chez ma grand-mère à Milan (trois jours).
9. J'ai nagé, bronzé, visité beaucoup de musées et lu dix livres.
12. L'Italie, c'est le paradis. Il y a beaucoup à voir. Les gens sont très gentils.
10. J'ai mangé beaucoup de pâtes. J'adore la cuisine italienne, surtout les pizzas.
11. Il faisait très beau. Il faisait du soleil. Il faisait chaud. Il ne pleuvait pas. 12. L'Italie, c'est le paradis. Il y a beaucoup à voir. Les gens sont très gentils.
Exercice 2
1. L'année prochaine nous irons aux États-Unis.
2. Nous (y) irons en avion. / Nous prendrons l'avion.
3. Nous visiterons New York et nous logerons chez ma tante.











