HOBBY, muziek, sport, film,tv, computer

Quels sont tes loisirs préférés?  =  Wat zijn jouw hobbies?
Quels sont tes passe-temps préférés?  = Wat zijn jouw hobbies?
J'aime danser = Ik houd van dansen. / Ik dans graag. 
J'aime la danse. = Ik houd van dansen. / Ik dans graag.


 


Na werkwoorden die aangeven dat je ergens (niet) van houdt (aimer, préférer, adorer, détester) krijg je 

*  le, la, les (zelfs na een ontkenning) vb. J’aime le foot  
* of een infinitif vb. J’aime jouer au foot   




WANNEER doe je dat?
le lundi = iedere maandag
une fois par semaine = een keer per week
à huit heures = om acht uur
de huit heures à neuf heures = van acht tot negen
le week-end = in het weekend
pendant la semaine = door de week
nog meer voca over tijden




MUZIEK


jouer d’un instrument = een instrument spelen
elle joue du piano (m) = ze speelt piano
elle joue de la flûte (v)= ze speelt fluit 
la flûte = de fluit
le violon = de viool
le violoncelle = de cello
le saxo(phone) = de saxofoon
la guitare = de gitaar
la batterie  =  het drumstel
Je ne joue pas d’instrument = Ik speel geen instrument.

WANNEER doe je dat?
le lundi = iedere maandag
une fois par semaine = een keer per week
à huit heures = om acht uur
de huit heures à neuf heures = van acht tot negen
le week-end = in het weekend
pendant la semaine = door de week
nog meer voca over tijden





SPORT
 

faire du sport  =  sporten
je fais du foot (m)  =  ik voetbal
Je fais de la natation (v)  = ik zwem
Je fais de l’escrime   = ik scherm
faire de la danse / danser = dansen
faire de la natation / nager  =  zwemmen
faire de l’équitation / faire du cheval  = paardrijden
Je ne fais pas de sport.  = Ik doe niet aan sport. 


le football = voetbal / Le tennis  = tennis / le surf  = surf/ Le hockey = hockey /le ski = ski /Le tennis  =  tennis /La natation = zwemmen /La danse  =  dansen /La voile  = zeilen / La plongée = duiken/ La randonnée = lange afstand wandelen /La gymnastique  =  turnen /La planche à voile  = windsurfen / La course  =  hardlopen / La boxe  =  boxen / l’équitation v =  paardrijden / L’escalade v = klimmen / L’escrime v  = schermen / la lutte = worstelen /le basket-ball / basket  =  basketbal / le rugby  =  rugby / le patin / patinage  =  schaatsen / Le hockey sur glace  =  ijshockey / Le ballet  =  ballet / le cyclisme   = wielrennen / Le  judo   =  judo / le karaté =  karate /Le golf  =  golf / Le base-ball = honkbal / Le canotage  = canoën / l’aviron m = de roeisport /Le moto-cross / Le saut = hoogspringen / Le badminton / Le tir à l´arc  = boogschieten /Le rafting / Le parapente / Le tennis de table / ping-pong / Le snowboard / L’haltérophilie m = gewichtheffen / L’athlétisme m  =   athletiek / L’alpinisme m   =   bergbeklimmen / Le culturisme  =  bodybuilding




l’orteil  = de teen /la hanche  = de heup / la cheville  = de enkel /écarter  =  uit elkaar doen, spreiden / incliner  = vooroverbuigen /en avant  = naar voren / en arrière  =  naar achter /  vers l’intérieur  =  naar binnen / vers le ciel  = naar de hemel / vers le sol  =  naar de grond / lever  = opheffen, omhoog doen / se mettre à genou   =  op je knieën gaan zitten / plier  = dubbelbuigen / ramener  =  brengen / tendre, étirer  =  strekken / respirer  =  ademen / profondément  =  diep

une plache à roulettes (skateboard), une raquette de tennis (tennisracket), un ballon (voetbal), une balle (golfbal), une canne (hengel), un filet (net), une cagoule (bivakmuts), des après-skis (snowboots), un canoë

WANNEER doe je dat?
le lundi = iedere maandag
une fois par semaine = een keer per week
à huit heures = om acht uur
de huit heures à neuf heures = van acht tot negen
le week-end = in het weekend
pendant la semaine = door de week
nog meer voca over tijden

une association sportive = een sportvereniging

SPORT/SPEL
 

jouer à + sport / spel
jouer à (un jeu)  = (een spel) spelen  vb. je joue au foot
Let op : je kan « jouer » alleen gebruiken bij sporten als je in het Nederlands ook « spelen » kan zeggen. Dus wel bij voetbal en tennis, niet bij zwemmen. 
jouer à la balle  = met een bal spelen
jouer aux échecs  = schaken
les échecs  = het schaakspel
les cartes (v) = de kaarten
ils jouent aux cartes  =  zij kaarten



LEZEN



le livre parle de... = het boek gaat over
dans le livre il s'agit de... = het boek gaat over
un roman d'aventures = een avonturenroman
un roman fantastique =  een fantasy boek
(De definitie van fantasy is breed. Voor boeken geldt vaak dat de verhalen zich afspelen in imaginaire werelden met daarin verzonnen wezens. Daarnaast spelen magie en andere bovennatuurlijke verschijnselen een grote rol.)
un roman policier  =  een detective
un roman de science fiction = een sf-roman
une bande dessinée / une BD  = een strip
un livre comique  = een komisch boek
un livre captivant = een spannend boek
un livre ennuyeux = een saai<ãnwiejeu>boek
un livre qui fait peur = een eng boek
un magazine = een tijdschrift
des magazines (m) people = tijdschriften over beroemdheden 
Je suis inscrit à la bibliothèque = ik ben lid van...
geef ook je mening over het boek

regarder la télé = tv kijken
regarder = kijken (naar)
j'aime regarder = ik kijk graag naar
à la télé = op de tv
un magazine, une émission, un programme = een programma
une série = een serie
américain(e ) = Amerikaans
comique  = komisch
policier, policière = politie~, detective~
d'action = actie~
d'horreur = horror
de société = over de maatschappij
de suspense <suspEns>= griezel~
politique =  over politiek
d'actualités  = over actualiteiten
de science fiction <sieãns fieksjõ>= sf
de musique, musical = over muziek
de sport, sportif = over sport
de football =  over voetbal
les actualités, le journal télévisé, les informations = het journaal, het nieuws
un soap = een soap
une rediffusion = een herhaling
un documentaire  = een documentaire
un jeu = een spelletje
un concours  = een quiz , een wedstrijd
une comédie = een komedie, lachfilm
un dessin animé  = een tekenfilm
un divertissement = een amusementsprogramma
la loterie = de loterij

Ça passe quand? = Wanneer wordt het uitgezonden?  
sur TV5 = op (de zender) TV5 
le lundi = iedere maandag
une fois par semaine = een keer per week
à huit heures = om acht uur
de huit heures à neuf heures = van acht tot negen
le week-end = in het weekend
pendant la semaine = door de week 
le vendredi, à neuf heures = op vrijdag om 9 uur 
souvent = vaak / toujours = altijd / chaque jour = iedere dag
en direct = live
nog meer voca over tijden

le film parle de... = de film gaat over
dans le film il s'agit de... = de film gaat over
le film se termine bien, mal = de film eindigt goed, slecht
cette actrice joue bien = die actrice speelt goed
captivant = spannend / ennuyeux = saai<ãnwiejeu> / effrayant = eng 
un cadavre = een lijk
commettre un meurtre = een moord begaan
un coupable = een schuldige / un(e) suspecte = een verdachte
 l'auteur = de dader
le suspecte a été convoqué = de verdachte is opgeroepen
elle s'est débattue = zij heeft zich verzet 
la télé est allumée / éteinte = de tv staat aan / uit
éteins la télé = zet de tv uit
rater = missen


INTERNET

Internet (niet: l'Internet)
sur Internet  = van Internet, op Internet
je vais sur Internet = ik internet
je vais sur Facebook = ik facebook
je parle sur Skype = ik praat via Skype
je passe beaucoup de temps sur Internet  =  ik zit veel op... 
naviguer sur Internet  = surfen op Internet 
jouer à = spelen met / op
jouer à l´ordinateur   = computeren
la console de jeux   =  de spelcomputer
un jeu vidéo = een videospelletje
des jeux vidéo = videospelletjes
jouer à (un jeu) = spelen (een spel)
jouer aux jeux vidéo  = videospelletjes spelen 
le jeu en réseau = het onlinespel
le mail, le mél, le courier électronique = de mail
le chat (dis: tchatt)  = het chatten
chatter avec un ami = chatten met een vriend
un clavier  =  een toetsenbord
J’ai téléchargé la recette  = Ik heb het recept gedownload
être connecté / en ligne  = online zijn
en permanence  = permanent
le Net = het net
la Toile = het web
accès à = toegang tot
rapide = snel
instantané =  onmiddellijk (bijvoeglijk naamwoord)
un pote, un ami  =  een vriend
on peut rester anonyme  =  je kunt anoniem blijven
communiquer son adresse e-mail = je-mail adres geven
des réseaux  = een network, een site
un moteur de recherche = een zoekmachine
Tu as un courrier électronique? = Heb je een e-mail-adres?
@ = arobase 
les médias sociaux = social media
des logiciels tricheurs = sjoemelsoftware 

(dé)verouiller l'ordinateur = computer (ont) vergrendelen
une puce = een chip 
 

MOBIEL      
                                   
le portable / le GSM = het mobieltje
envoyer des textos = berichtjes sturen 
textoter = berichtjes sturen
décrocher = opnemen 
mon téléphone est allumé / éteint = mijn telefoon staat aan /  uit 
recevoir des appels = telefoontjes ontvangen
je reçois, tu reçois, il reçoit = ik, jij, hij ontvangt 
une carte rechargeable = een prepaid-kaart (opnieuw oplaadbaar)
une carte de portable  = een beltegoedkaart
une note de téléphone  = een telefoonrekening 
en cas d'urgence = in spoedgevallen
les communications = de gesprekken
un opérateur = een provider
un forfait = un abonnement
un forfait bloqué à 19 euros = een abonnement vastgesteld op 19 euro
non bloqué = zonder limiet
il y en a = ze zijn er
la connexion est mauvaise = de verbinding is slecht



EN VERDER...

jardiner = tuinieren / le jardinage =  het tuinieren  


 dessiner / le dessin = tekenen


faire du théâtre =  toneel spelen


se promener = wandelen / j’aime me promener = ik houd van wandelen/ une promenade  = een wandeling, een tochtje / une randonnée = een trektocht (met rugzak) 

 bricoler  = knutselen, doe-het-zelven


aller dans un musée  = naar een museum gaan 


aller à la piscine  = naar het zwembad gaan


collectionner  = verzamelen / une collection = een verzameling

 
 faire du shopping = winkelen 





verlan





Le Picasso de la bombe, c'est moi. = Ik ben de Picasso van de spuitbus.
Buller, y a que ça de vrai. = Er is niets leukers dan niets doen!
Pour pas bronzer idiot, un bon polar! = Om niet domweg te liggen zonnen: een goede detective!
le magnéto (magnétoscope) = de video